EHRM stelt schending van artikel 6 EVRM vast in Belgische fiscale procedure die ruim veertien jaar loopt

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 8 oktober 2026 in de zaak SIRVA NV tegen België een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vastgesteld wegens overschrijding van de redelijke termijn in een fiscale procedure. De procedure betrof de fiscale aftrekbaarheid van een kartelboete van de Europese Commissie en een belastingverhoging van 10 procent wegens een onvolledige aangifte. Het Hof laat de redelijke termijn aanvangen op 7 december 2011, de datum waarop de Belgische fiscus het voornemen meedeelde de aangifte te wijzigen en een belastingverhoging op te leggen. Op het moment dat de schriftelijke behandeling in Straatsburg eindigde, liep de procedure ruim veertien jaar en was zij nog aanhangig bij het hof van beroep te Gent. Het Hof verwierp het verweer van België dat de vennootschap eerst een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat had moeten instellen of de termijnoverschrijding in cassatie had moeten aanvoeren. België moet de vennootschap € 5.000 betalen als vergoeding voor immateriële schade.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: The Developments in the Case Law of the Community Courts with Regard to OLAF Investigations

De rechtspraak van de Gemeenschapsrechters onderwerpt OLAF-onderzoeken aan effectieve rechterlijke controle. Eindrapporten en het doorgeven van informatie aan nationale autoriteiten zijn voorbereidende, niet-bindende handelingen en kunnen daarom niet met een beroep tot nietigverklaring worden aangevochten. Toch blijft toetsing mogelijk: via een schadevergoedingsactie op grond van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. In zaken als Camós Grau, Giraudy, Nikolaou en Franchet & Byk kende de rechter schadevergoeding toe wegens schending van de onschuldpresumptie, de vertrouwelijkheidsplicht, de rechten van verdediging en het beginsel van behoorlijk bestuur, vaak na lekken naar de pers. Zo ontstond een indirecte controle op de waarborgen rond OLAF-onderzoeken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

EU-sancties tegen Rusland: grootste aantal plaatsingen op één dag en 77 plaatsingen rond de Doema-verkiezingen

De Raad van de Europese Unie heeft op 12 oktober 2026 826 Russische ondernemingen en 743 bestuursvoorzitters van die ondernemingen op de sanctielijst geplaatst. Volgens de Raad is dit het grootste aantal personen en entiteiten dat de EU ooit in één keer heeft toegevoegd. De plaatsingen vallen onder het sanctieregime voor acties die de territoriale integriteit van Oekraïne ondermijnen, dat daarmee bijna 4.600 namen telt. Voor alle geplaatste personen en entiteiten geldt een bevriezing van tegoeden en een verbod om hun middelen ter beschikking te stellen; natuurlijke personen krijgen ook een inreisverbod. Dezelfde dag plaatste de Raad 77 personen op de lijst in verband met de Doema-verkiezingen in bezette delen van Oekraïne. In Nederland is overtreding van deze maatregelen strafbaar via de Sanctiewet 1977 en de Wet op de economische delicten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Aanvullende vragen aan Duitsland over rechterlijke toetsing van een door een gedelegeerd Europese aanklager uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel na de feitelijke overlevering

Rechtbank Amsterdam 9 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9509

De rechtbank Amsterdam doet een tussenuitspraak over een Europees aanhoudingsbevel uit Duitsland dat strekt tot vervolging van een opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit. Het bevel is uitgevaardigd door een gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie in München. De raadslieden voeren aan dat in Duitsland na de feitelijke overlevering geen rechter het bevel kan toetsen en bepleiten niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De officier van justitie acht de rechtsbescherming toereikend en stelt dat de overlevering kan worden toegestaan. De rechtbank kan uit de Duitse informatie niet vaststellen dat zo'n rechterlijke toetsing mogelijk is, omdat de aangehaalde uitspraak uit München een door een rechter uitgevaardigd bevel betreft. Zij heropent en schorst het onderzoek, laat twee aanvullende vragen stellen en verlengt de beslistermijn met 60 dagen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

EHRM schrapt zaak Koopmans tegen Nederland van de rol na schikking over onschuldpresumptie bij afgewezen schadevergoeding

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 3 september 2026 de zaak Koopmans tegen Nederland (appl. 32183/24) van de rol geschrapt nadat partijen een schikking hadden bereikt. De klacht betrof een schending van de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM. Verzoeker was onherroepelijk vrijgesproken en verzocht om schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis, maar het gerechtshof Den Haag wees dat verzoek af met een verwijzing naar laakbaar handelen en naar de wijze van tenlasteleggen. De Nederlandse regering betaalt op grond van de schikking € 3.000 aan immateriële schade en € 1.571 aan kosten. Het Hof toetste de schikking aan de mensenrechten en zag geen reden het onderzoek voort te zetten. De beslissing is op 24 september 2026 schriftelijk bekendgemaakt.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Grote Kamer EHRM verklaart klacht over reservistenpraktijk bij de Hoge Raad niet-ontvankelijk

De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 23 september 2026 de klacht in de zaak Kuijt tegen Nederland (nr. 19365/19) bij meerderheid niet-ontvankelijk verklaard. De zaak betrof de praktijk bij de strafkamer van de Hoge Raad waarbij raadsheren die geen deel uitmaken van de zetel, de zogeheten reservisten, kunnen deelnemen aan de beraadslaging zonder mee te stemmen. Verzoekster klaagde dat deze praktijk in strijd is met artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Het EHRM oordeelt dat op nationaal niveau een rechtsgang beschikbaar was, het aanvoeren van de bezwaren in de cassatieprocedure zelf, maar dat verzoekster die niet heeft benut. De Hoge Raad had volgens het EHRM eerst de gelegenheid moeten krijgen om op de kritiek op deze bekende en langlopende praktijk te reageren, in lijn met het subsidiariteitsbeginsel. Over de verenigbaarheid van de reservistenpraktijk met artikel 6 EVRM spreekt het EHRM zich daarmee niet inhoudelijk uit.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Strengthening the Protection of EU's Financial Interests via Criminal Law

Een onderzoeksproject onder leiding van prof. Anna Maria Maugeri (Universiteit van Catania) analyseert systematisch de EU-wetgeving over fraude, corruptie, witwassen en de aansprakelijkheid van rechtspersonen, met als doel de bescherming van de financiële belangen van de Unie te versterken. Doordat de EU-instrumenten ongelijk worden geïmplementeerd, ontstaat een wisselend beschermingsniveau dat de EU-begroting en de geloofwaardigheid van de instellingen onder druk zet. Het onderzoek beoordeelt de effectiviteit en implementatie van onder meer de PIF-richtlijn (2017/1371), Verordening 2988/95, de anticorruptierichtlijn (2026/1021), de antiwitwaswetgeving en de confiscatierichtlijn (2024/1260), en bekijkt de rol van het EOM bij PIF-delicten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: The Judgment of the Court of First Instance in the Case Franchet and Byk v European Commission

In zaak T-48/05 kende het Gerecht van eerste aanleg Yves Franchet en Daniel Byk 56.000 euro schadevergoeding toe wegens fouten van de Europese Commissie en OLAF tijdens het Eurostat-onderzoek. De uitspraak raakt drie punten. De onschuldpresumptie werd geschonden door een persbericht van 9 juli 2003, terwijl het informeren van een parlementaire commissie geen schending opleverde. OLAF verzuimde de betrokkenen tijdig te informeren en te horen voordat conclusies met naam en toenaam aan de justitiële autoriteiten werden doorgegeven. Ten slotte had OLAF het Comité van toezicht moeten raadplegen vóór doorzending aan de nationale gerechtelijke autoriteiten, niet pas op het moment daarvan.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: OLAF and the Push and Pull Factors of a European Criminal Justice System

Toen OLAF in 1999 werd opgericht, koos men bewust voor een administratief instrument om fraude, corruptie en andere onregelmatigheden ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap te bestrijden. Tien jaar later blijkt die kwalificatie nauwelijks houdbaar. Het werk van OLAF vertoont een uitgesproken strafrechtelijk karakter: een groot deel van de zaken vraagt om justitiële opvolging, de bevoegdheden bij interne onderzoeken naderen die van opsporingsdiensten, en betrokkenen voelen zich onvoldoende beschermd. Deze spanningen vormen zowel een pull- als een pushfactor richting een Europees strafrechtelijk systeem, juist nu het Verdrag van Lissabon de strafrechtelijke profilering van de EU op scherp zet.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Brunell en McArdle tegen Nederland: EHRM stelt schending van het onmiddellijkheidsbeginsel vast

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 1 september 2026 in de zaak Brunell en McArdle tegen Nederland unaniem een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vastgesteld. Het gerechtshof Amsterdam had twee verdachten in 2018 veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf wegens doodslag, nadat de rechtbank hen van dat feit had vrijgesproken omdat zij de verklaringen van getuige X niet betrouwbaar achtte. Het hof gebruikte die verklaringen wel voor het bewijs, maar hoorde de getuige niet zelf en wees een verzoek daartoe af. Het EHRM oordeelt dat de verklaringen van X beslissend waren, dat de betrouwbaarheid ervan uitdrukkelijk was betwist en dat het onmiddellijkheidsbeginsel in die situatie vereiste dat het hof de getuige in persoon hoorde. De Hoge Raad had de veroordeling in 2020 in stand gelaten; volgens het EHRM kon een cassatieberoep dit gebrek niet herstellen. Het EHRM wijst op de herzieningsgrond van artikel 457 lid 1 onder b Sv en noemt heropening van de procedure de meest passende vorm van herstel.

Read More
, , ,
Print Friendly and PDF ^