Conclusie van AG Wattel over verhuld vermogen, spontane, internationale informatie-uitwisseling en de strafrechtelijke vervolging wegens het structureel niet voldoen aan een informatieverplichting
/Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:259
De verdachte wordt strafrechtelijk vervolgd wegens het structureel niet voldoen aan een informatieverplichting over mogelijk verhuld vermogen. De aanleiding was een spontane, internationale informatie-uitwisseling van bankgegevens door de Duitse fiscus. Het hof verklaart het OM niet-ontvankelijk wegens vermeende schending van het gebruiksvoorbehoud. De AG oordeelt dat strafrechtelijke vervolging op basis van deze gegevens wél is toegestaan. De gegevens zijn rechtmatig verkregen en uitsluitend gebruikt voor fiscale doeleinden.
De verdachte wordt strafrechtelijk vervolgd wegens het structureel en opzettelijk niet voldoen aan een op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) door de inspecteur opgelegde informatieverplichting. De inspecteur had haar verzocht informatie en documenten te verstrekken over mogelijke buitenlandse banktegoeden, naar aanleiding van bankgegevens die op 30 september 2016 door de Duitse fiscale autoriteiten spontaan aan Nederland zijn verstrekt. Deze gegevens betreffen bankrekeningen bij de Luxemburgse Banque et Caisse d’Epargne de l’Etat (BCEE), die zouden zijn aangehouden door in Nederland belastingplichtige personen, onder wie de verdachte.
De gegevens zijn zonder voorafgaand verzoek – dus spontaan – in het kader van internationale fiscale samenwerking gedeeld. De informatie-uitwisseling vond plaats op basis van het Nederlands-Duitse belastingverdrag en/of de EU-richtlijn 2011/16/EU inzake administratieve samenwerking. In de begeleidende e-mail van het Duitse Bundeszentralamt für Steuern staat dat de verstrekte gegevens slechts mogen worden gebruikt voor “die dort genannten steuerlichen Zwecke”. Deze restrictie heeft het hof opgevat als een voorbehoud dat het gebruik van deze informatie voor strafrechtelijke doeleinden uitsluit, tenzij de Duitse autoriteiten daar uitdrukkelijk mee instemmen. Omdat die instemming ontbreekt en niet is verzocht, verklaart het hof het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk in de vervolging.
In eerste aanleg is de verdachte wel veroordeeld tot een geldboete van 10.000 euro, subsidiair 85 dagen hechtenis. Het verwijt ziet niet op belastingfraude of onjuiste aangiften, maar op het weigeren om antwoord te geven op concrete vragen over mogelijk verzwegen buitenlands vermogen, zoals deze door de inspecteur zijn gesteld in het kader van belastingheffing.
Middelen
Het OM bestrijdt dat oordeel met twee cassatiemiddelen: 1. Onjuiste uitleg van art. 27 Belastingverdrag, dat zijns inziens wel degelijk strafvervolging van fiscale delicten toestaat zonder nadere instemming; en 2. Onbegrijpelijk acht hij ’s Hofs oordeel dat de Duitse gegevens ten grondslag liggen aan de verdenking van informatieweigering. Die gegevens zijn – ook volgens het Hof - rechtmatig gebruikt voor fiscale doeleinden, nl. vordering van gegevens en inlichtingen die relevant zijn voor de belastingheffing ten aanzien van de verdachte. Pas toen zij weigerde te antwoorden, rees de verdenking van de strafbare informatieweigering waarvoor zij thans vervolgd wordt. Zij wordt niet vervolgd voor onjuiste aangiften, maar voor informatieweigering; ter zake van dat laatste kón geen verdenking ontstaan door of bij de ontvangst van de Duitse gegevens, nu die verdenking pas kon rijzen ná verdachte’s weigering in te gaan op die rechtmatige fiscale informatievordering.
Middel 1
Het eerste cassatiemiddel is gericht tegen de uitleg die het hof geeft aan artikel 27, tweede lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Volgens het hof mogen de van Duitsland ontvangen bankgegevens alleen worden gebruikt voor zuiver fiscale doeleinden – zoals belastingheffing en controle – maar niet voor strafrechtelijke vervolging van belastingplichtigen wegens schending van informatieverplichtingen. Het hof baseert dat oordeel op de bewoordingen in de e-mail van de Duitse fiscus, waarin wordt verwezen naar ‘nur für steuerliche Zwecke’.
De procureur-generaal (PG) betoogt daarentegen dat het hof artikel 27, tweede lid, verkeerd uitlegt. Die bepaling laat het gebruik van uitgewisselde gegevens expliciet toe voor “vervolging ter zake van belastingen waarop het verdrag ziet” – in de Duitse versie: “Strafverfolgung”. Dit omvat dus ook de strafrechtelijke handhaving van informatieverplichtingen op grond van de AWR. Uit de tekst van het belastingverdrag en het OESO-modelverdrag, waarop artikel 27 is gebaseerd, volgt dat alleen voor gebruik van fiscale gegevens voor niet-fiscale doeleinden afzonderlijke toestemming van de verstrekkende staat nodig is. Strafvervolging wegens een belastinggerelateerd delict – zoals in deze zaak aan de orde – valt daar niet onder.
De PG benadrukt dat de passage uit de e-mail van het Bundeszentralamt, waarin sprake is van een gebruiksbeperking tot “dort genannten steuerlichen Zwecke”, slechts een weergave is van de standaardbepalingen uit het belastingverdrag en de EU-richtlijn. Indien Duitsland wél had willen uitsluiten dat de informatie voor strafvervolging van fiscale delicten gebruikt zou mogen worden, dan zou daarvoor geen verdragsrechtelijke basis bestaan. Zo’n vergaand voorbehoud is dan ook niet afdwingbaar jegens Nederland.
De PG acht het eerste cassatiemiddel gegrond. Strafvervolging van belastingplichtigen wegens het opzettelijk niet-nakomen van een informatieverplichting valt binnen het bereik van artikel 27, tweede lid, van het belastingverdrag. Voor het gebruik van gegevens voor dergelijke fiscale delicten is geen afzonderlijke toestemming van de gegevensverstrekkende staat vereist. Het hof had de inhoud van de Duitse e-mail dus niet mogen aanmerken als een bindend voorbehoud dat strafrechtelijke vervolging uitsluit. Daarmee heeft het hof het recht geschonden.
Middel 2
Het tweede cassatiemiddel richt zich op de feitelijke beoordeling door het hof dat de Duitse bankgegevens direct ten grondslag liggen aan de strafrechtelijke verdenking van informatieweigering. Volgens het hof zijn die gegevens niet alleen gebruikt als aanleiding voor een fiscale informatievordering, maar vormen zij tevens het fundament van de strafvervolging. Zonder die gegevens zouden immers geen vragen aan de verdachte zijn gesteld, en zou dus ook de weigering om te antwoorden zich niet hebben voorgedaan.
De PG verwerpt dit betoog. De gegevens uit Duitsland zijn op rechtmatige wijze verkregen en uitsluitend gebruikt voor een vordering van gegevens en inlichtingen ten behoeve van de belastingheffing. Op grond van artikel 47 AWR was de inspecteur bevoegd om vragen te stellen over mogelijk verzwegen vermogen. Pas toen de verdachte weigerde aan die informatieverplichting te voldoen, ontstond een afzonderlijke verdenking van een strafbaar feit – namelijk het niet naleven van die verplichting. De strafvervolging ziet dus niet op het verhulde vermogen, maar op de weigering om informatie te verschaffen, hetgeen een zelfstandig vervolgbaar delict vormt.
De PG onderstreept dat het causaal verband dat het hof aanneemt – namelijk dat de vragenbrief niet zou zijn verstuurd zonder de Duitse gegevens – geen strafvorderlijk gebruik impliceert. De gegevens zijn gebruikt voor heffingstaken; pas de daaropvolgende weigering gaf aanleiding tot strafvervolging. Voor het ontstaan van de verdenking van informatieweigering zijn de Duitse bankgegevens juridisch gezien niet relevant.
De PG oordeelt dat ook middel 2 doel treft. De gegevensuitwisseling met Duitsland is rechtmatig en strekt tot heffing. Dat de daaropvolgende weigering van de verdachte leidt tot een strafvervolging wegens niet-naleving van een informatieverplichting, maakt niet dat de gegevens onrechtmatig zijn gebruikt. Er is geen sprake van zogenaamd 'fruit of the poisonous tree'. De verdenking van informatieweigering ontstaat pas ná de spontane internationale informatie-uitwisseling en staat daar juridisch los van.
Overweging ten aanzien van artikel 359a Sv
Het hof lijkt zich impliciet te hebben gebaseerd op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering door de niet-ontvankelijkverklaring van het OM te verbinden aan een vermeende schending van verdragsrechtelijke bepalingen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is niet-ontvankelijkverklaring alleen aan de orde bij zeer ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarvan is slechts sprake indien doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekortgedaan.
De PG stelt dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Het OM heeft op goede gronden aangenomen dat gebruik van de gegevens voor strafvervolging van fiscale delicten is toegestaan. Van handelen in strijd met de eisen van een eerlijk proces of verdragstrouw is geen sprake. Ook het niet benaderen van de Duitse autoriteiten kan niet worden gekwalificeerd als een onherstelbaar vormverzuim.
Conclusie
De procureur-generaal concludeert dat beide middelen slagen. De gegevens zijn rechtmatig verkregen en rechtmatig gebruikt voor fiscale doeleinden. Strafvervolging wegens het weigeren te voldoen aan een informatieverplichting is toegestaan, ook als de aanleiding voor die verplichting ligt in internationaal uitgewisselde gegevens. Er bestaat geen verdragsrechtelijk beletsel om deze vorm van verhuld vermogen aan het licht te brengen via spontane informatie-uitwisseling en vervolgens – bij medewerkingsweigering – tot strafvervolging over te gaan. Het oordeel van het hof kan daarom niet in stand blijven. De zaak dient te worden terugverwezen naar het hof Den Bosch voor inhoudelijke behandeling.
Lees hier de volledige conclusie.