Beklag tegen beslag: wat als de verschoningsgerechtigde tussentijds komt te overlijden?

Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:403

Tijdens een doorzoeking bij twee cliënten van een advocaat zijn in juni 2016 stukken en digitale gegevensdragers in beslag genomen. De advocaat diende kort daarna een klaagschrift in op grond van artikel 552a Sv, onder verwijzing naar zijn verschoningsrecht. De rechtbank verklaart het beklag deels gegrond en houdt de behandeling aan voor wat betreft de digitale gegevensdragers, waarvan inmiddels een digitale kopie is gemaakt door de politie. De originele gegevensdragers worden aan de cliënten teruggegeven. In januari 2024 verklaart de rechtbank het beklag alsnog niet-ontvankelijk, omdat de gegevensdragers zijn teruggegeven. De advocaat is op dat moment overleden.

Middel

Het cassatiemiddel richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beklag. Centraal staat de vraag of de beklagprocedure door het overlijden van de klager vervalt, of het teruggeven van de fysieke gegevensdragers het beklagdoel illusoir maakt en hoe de procedure moet worden voortgezet bij overlijden van een verschoningsgerechtigde.

Beoordeling Hoge Raad

Ad 1. Vervallen van het klaagschrift door overlijden klager

De Hoge Raad herhaalt zijn uitgangspunt dat een klaagschrift in beginsel vervalt door het overlijden van de indiener (vgl. HR 2017:899). In dit geval maakt de Hoge Raad echter een uitzondering, omdat het klaagschrift is ingediend in de hoedanigheid van advocaat en dus mede is gericht op bescherming van het verschoningsrecht. De voortzetting van de procedure is in het belang van rechtzoekenden die zich tot de klager hebben gewend. De Hoge Raad verwijst hierbij naar HR 1985:AC9066 en HR 2024:375.

Ad 2. Teruggave gegevensdragers maakt beklag niet zinloos

De rechtbank heeft het beklag niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de gegevensdragers zijn teruggegeven. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel onbegrijpelijk. Uit het procesverloop blijkt dat het beklag mede ziet op het gebruik en de kennisneming van kopieën van de gegevens, die nog steeds ter beschikking staan van de opsporingsautoriteiten. Het feit dat de fysieke dragers zijn teruggegeven doet aan dat belang niet af (vgl. HR 2020:369). De rechtbank had dus ook moeten oordelen over deze kopieën, met inachtneming van de regels uit HR 2016:2537 over (overeenkomstige) toepassing van de artikelen 125i en 98 Sv.

Ad 3. Voortzetting van de procedure na overlijden van een verschoningsgerechtigde

De Hoge Raad benadrukt dat het maatschappelijk belang dat aan het verschoningsrecht ten grondslag ligt meebrengt dat na het overlijden van een verschoningsgerechtigde, een gezaghebbend vertegenwoordiger van diens beroepsgroep – bijvoorbeeld de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten – zich moet kunnen uitlaten over het verschoningsrecht ten aanzien van de inbeslaggenomen stukken en gegevens. Deze vertegenwoordiger of een door hem aangewezen beroepsgenoot dient de procedure voort te zetten. Mocht inmiddels blijken dat de gegevens en kopieën zijn vernietigd, dan kan de rechtbank het beklag alsnog niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van belang.

Conclusie

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk en wijst de zaak terug voor voortzetting van de behandeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^