Phishing-fraude met behulp van valse betaalverzoeken: Is bank bewogen tot afgifte van geldbedrag?
/Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:333
De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van computervredebreuk, oplichting en diefstal met gebruik van valse sleutels. In deze zaak staat aangeefster B centraal, die op 28 mei 2018 via WhatsApp werd benaderd door een persoon die zich F noemde. F verzocht haar een bedrag van € 0,01 over te maken ter verificatie van haar identiteit. B klikte op de meegestuurde link, werd geleid naar een phishingsite en voerde daar haar inloggegevens van de ING Bank in. Met deze gegevens werd vervolgens ingelogd op haar bankrekening. Een bedrag van € 2,51 werd zonder haar medeweten overgeschreven naar een onbekende rekening.
Bij de aanhouding van de verdachte werd een telefoon aangetroffen in zijn tuin. Op dit toestel werden onder andere schermopnamen van bankgegevens van aangeefster B gevonden, evenals de desbetreffende Tikkie-link. De verdachte heeft verklaard dat deze telefoon van hem was. Het hof leidt hieruit af dat sprake is van een vooropgezet plan tussen de verdachte en zijn mededaders.
Middel
Het derde cassatiemiddel richt zich op de bewezenverklaring van het bestanddeel 'bewogen tot afgifte' in de context van oplichting. De verdediging stelt dat de ING Bank, als daadwerkelijke overmaker van het bedrag, niet door een valse voorstelling van zaken is bewogen. Omdat aangeefster B niet zelf tot afgifte is gebracht, zou niet zijn voldaan aan de vereisten voor oplichting in de zin van artikel 326 Sr.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt deze redenering. Het hof heeft vastgesteld dat € 2,51 is overgeschreven van de bankrekening van aangeefster B naar een bankrekening die haar niet bekend was, en dat dit is gebeurd door misleiding via een phishinglink. De afgifte van het geldbedrag is dan ook tot stand gekomen door een valse voorstelling van zaken, waarmee de ING Bank – als houder van de tegoeden – is bewogen tot afgifte van dat geldbedrag. Dat het niet de rekeninghouder zelf is die handelde doet daar niet aan af: voor oplichting is beslissend dat het slachtoffer, in dit geval de bank, onder invloed van misleiding een vermogensbeschikking doet.
De beoordeling van het hof dat de gedragingen van de verdachte deel uitmaken van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders, mede gelet op de snelheid die nodig is om phishing succesvol te maken en de vergelijkbare werkwijze in andere zaken, acht de Hoge Raad niet onbegrijpelijk en in lijn met het geldende recht.
Lees hier de volledige uitspraak.