Transactie gesloten terwijl de zaak al onder de rechter was geaccepteerd: OM niet-ontvankelijk

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1779

De verdachte is feitelijk leidinggever van een besloten vennootschap en is betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek met de codenaam “Generaal”. De verdachte wordt verweten dat hij samen met anderen valse administratie heeft gevoerd, accijns op alcohol heeft ontdoken en ruim 110.000 euro heeft witgewassen. Opmerkelijk aan deze zaak is dat tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, ná dagvaarding en tijdens de lopende procedure, een buitengerechtelijke regeling is getroffen in de vorm van een transactieaanbod als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. Deze regeling, die in essentie buiten het wettelijk kader van artikel 74 valt vanwege de fase waarin zij tot stand komt, wordt door de rechtbank uiteindelijk aanvaard.

De tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  • medeplegen van het valselijk opmaken van bedrijfsadministratieve bescheiden door daarin valse stukken op te nemen;

  • medeplegen van het voorhanden hebben van accijnsgoederen (alcoholhoudende dranken) die niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken;

  • het witwassen van een geldbedrag van 111.650 euro.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie voert aan dat verdachte op 21 juni 2022 een transactieaanbod heeft geaccepteerd, mede namens de betrokken vennootschap. In dit aanbod is overeengekomen dat verdachte afstand doet van een bedrag van 113.950 euro ten gunste van de Staat, en een taakstraf van 60 uur zal uitvoeren. De officier van justitie, mr. S. Leeman, verklaart ter terechtzitting dat aan alle voorwaarden uit het transactieaanbod volledig en naar behoren is voldaan. Gelet hierop is het Openbaar Ministerie van oordeel dat het strafvorderlijk belang bij verdere vervolging is komen te vervallen. Zij verzoekt de rechtbank dan ook om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging wijst op de langdurige duur van de procedure en de ouderdom van de zaak. Volgens de raadsman is het voor zowel verdachte als de medeverdachte vennootschap van belang geweest om tot een buitengerechtelijke afdoening te komen. Nu aan alle verplichtingen uit de transactie is voldaan en het Openbaar Ministerie instemt met deze wijze van beëindiging, verzoekt ook de verdediging om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank schetst uitvoerig het procesverloop, waaruit blijkt dat de strafzaak op reguliere wijze aanhangig is gemaakt met dagvaardingen op 2 april 2021. Daarna heeft een regiezitting plaatsgevonden en is het onderzoek voortgezet, onder meer door het horen van getuigen door de rechter-commissaris. Vervolgens hebben in de loop van 2022 onderhandelingen plaatsgevonden tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, resulterend in een ondertekend transactieaanbod op 21 juni 2022 (door verdachte) en op 30 juni 2022 (door de officier van justitie).

De rechtbank erkent dat deze gang van zaken formeel bezien problematisch is, nu artikel 74 Sr niet voorziet in het aanbieden van een transactie nadat een strafzaak reeds bij de rechter aanhangig is gemaakt. Toch acht de rechtbank het in het licht van de jurisprudentiële ontwikkelingen omtrent procesafspraken niet onaanvaardbaar dat partijen tot een regeling zijn gekomen. De rechtbank overweegt dat deze buitengerechtelijke afdoening weliswaar formeel-juridisch buiten het bestaande wettelijke kader valt, maar inhoudelijk te vergelijken is met de inmiddels geaccepteerde praktijk van procesafspraken.

De rechtbank onderstreept dat verdachte vrijwillig en volledig uitvoering heeft gegeven aan de overeengekomen verplichtingen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat zowel het belang van verdachte bij rechtszekerheid als het maatschappelijke belang bij een efficiënte en proportionele strafrechtspleging worden gediend. Nu bovendien het Openbaar Ministerie zelf geen vervolgingsbelang meer ziet, concludeert de rechtbank dat verdere strafvervolging niet gerechtvaardigd is.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^