HR over de meldplicht uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen

Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:331

De verdachte, een rechtspersoon, is werkzaam als professioneel vervoerder van gevaarlijke stoffen. Tijdens een transport ontstaat een incident waarbij een tank met gevaarlijke stoffen betrokken is. De chauffeur en een berger constateren na het incident dat de tank visueel onbeschadigd is. Er wordt echter geen melding gedaan aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), zoals voorgeschreven in artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). In eerste aanleg volgt vrijspraak. Het gerechtshof Den Haag acht in hoger beroep het niet naleven van de meldplicht bewezen en veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 3.500.

Middel

In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de meldplicht van artikel 47 Wvgs is geschonden. Volgens de verdediging kan pas van een meldingsplicht sprake zijn als sprake is van een concreet gevaar voor de openbare veiligheid, en zou alleen de ILT-inspecteur mogen beoordelen of de tank geborgen mag worden.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Hij verwijst naar de conclusie van de advocaat-generaal, waarin wordt uiteengezet dat artikel 47 lid 1 Wvgs een meldplicht in het leven roept wanneer zich tijdens het vervoer van gevaarlijke stoffen een ongeval voordoet dat kan leiden tot gevaar voor de openbare veiligheid. Niet vereist is dat daadwerkelijk schade is ontstaan. Het hof heeft terecht geoordeeld dat, ondanks een visuele inspectie van de tank, niet kon worden uitgesloten dat er niet-zichtbare schade was ontstaan aan andere onderdelen van de transporteenheid, waardoor gevaar voor lekkage en daarmee voor de openbare veiligheid kon ontstaan. De klacht dat uitsluitend de ILT-inspecteur bevoegd zou zijn om te oordelen over het bergen van de tank, mist feitelijke grondslag: het hof heeft dat niet geoordeeld.

Beoordeling tweede middel

De Hoge Raad past artikel 81 RO toe en overweegt dat het tweede middel geen beantwoording behoeft, omdat het geen rechtsvragen betreft die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling.

Ambtshalve beoordeling

De redelijke termijn in cassatie is overschreden. De opgelegde geldboete wordt om die reden verminderd van 3.500 naar 3.150.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^