Veroordeling steenfabriek vanwege waterverontreiniging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:940

Een steenfabriek wordt vervolgd voor het zonder vergunning lozen van regenwater vermengd met klei in twee watergangen rondom het bedrijf. De lozing vond plaats op 18 mei 2021 en betreft een overtreding van artikel 6.2 (oud) van de Waterwet. De verdachte had wel een vergunning voor de lozing van mogelijk verontreinigd hemelwater, maar deze was gebonden aan voorwaarden die in dit geval niet waren nageleefd.

De tenlastelegging

De verdachte wordt verweten zonder vergunning of vrijstelling regenwater vermengd met klei in het oppervlaktewater te hebben geloosd. Dit zou zijn gebeurd zonder dat een vrijstelling op grond van een algemene maatregel van bestuur van toepassing was.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert een bewezenverklaring en eist een geldboete van € 2.000. Volgens het OM voldoet de lozing niet aan de voorwaarden van artikel 3.33, eerste en tweede lid, (oud) van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin is bepaald dat lozingen met inerte stoffen zijn toegestaan zolang er geen visuele verontreiniging plaatsvindt.

Standpunt van de verdediging

De verdediging pleit voor vrijspraak en stelt dat de lozing onder de bestaande vergunning valt. Daarnaast betoogt de raadsman dat het afstromende water slechts klei en zand bevatte, zijnde inerte stoffen, en dat niet objectief is vastgesteld of de lozing de grenswaarde van 300 milligram per liter overschreed. Bovendien zou elke lozing van kleihoudend water visuele verontreiniging veroorzaken, waardoor het verbod onwerkbaar zou zijn.

Oordeel van het hof

Het hof oordeelt dat de lozing niet onder de bestaande vergunning viel, omdat deze niet via de vergunde controleput plaatsvond en zich bovendien uitstrekte tot een tweede watergang. Het hof constateert aan de hand van waarnemingen van een toezichthouder en foto’s dat er sprake was van visuele verontreiniging. Dit betekent dat de lozing niet voldeed aan de eisen van artikel 3.33, tweede lid, (oud) van het Activiteitenbesluit milieubeheer en daardoor niet was vrijgesteld van de vergunningplicht.

Echter, het hof acht niet bewezen dat de overtreding opzettelijk is begaan, mede omdat de verdachte al maatregelen had genomen om dergelijke lozingen te voorkomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte zonder vergunning of vrijstelling regenwater vermengd met klei in het oppervlaktewater heeft geloosd, in strijd met artikel 6.2 (oud) van de Waterwet.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000, maar legt deze geheel voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaar. Bij de strafoplegging weegt het hof mee dat de verdachte reeds maatregelen heeft getroffen om toekomstige lozingen te voorkomen en dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^