Ontneming: HR herhaalt overwegingen m.b.t. kosten die voor aftrek in aanmerking komen en motiveringsplicht voor rechter bij verweer dat bepaalde kosten bij schatting moeten worden afgetrokken
/Hoge Raad 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:349
De betrokkene verhuurt een pand waarin een hennepkwekerij wordt geëxploiteerd. Hij ontvangt daarvoor van zijn onderhuurders een bedrag van € 1.500 per week gedurende een periode van 52 weken. De rechtbank veroordeelt hem voor medeplichtigheid bij het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet, door een ruimte ter beschikking te stellen voor een grootschalige hennepkwekerij. De betrokkene wordt echter vrijgesproken van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerij. Desondanks verhaalt netbeheerder Liander bij hem een bedrag van € 22.407,38 wegens illegaal afgetapte stroom. De betrokkene stelt dat deze kosten in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Middel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de terugbetaling aan Liander niet kan worden aangemerkt als kosten die ten behoeve van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn gemaakt. Volgens de verdediging zijn deze kosten onlosmakelijk verbonden aan de hennepkwekerij en dus relevant voor de voordeelberekening.
Beoordeling Hoge Raad
Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met dergelijke kosten. De rechter is in het algemeen niet verplicht om de beslissing daarover te motiveren. Dat is anders als namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de betreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden afgetrokken. Dan moet de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als dergelijke kosten kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene moeten blijven. (Vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200.)
Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer verworpen omdat de terugbetaling van illegaal afgenomen elektriciteit aan Liander niet kan worden aangemerkt als “kosten (...) die ten behoeve van het verkregen wederrechtelijk voordeel zijn gemaakt”. Het hof heeft de verwerping daarmee ontoereikend gemotiveerd. In aanmerking genomen dat de illegaal afgenomen elektriciteit is gebruikt bij – kort gezegd – de teelt van hennep en dat de betrokkene is veroordeeld voor medeplichtigheid bij het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod door een ruimte ter beschikking te stellen voor de betreffende hennepkwekerij, is niet zonder meer begrijpelijk waarom de voldoening van de als gevolg van de hennepteelt ontstane elektriciteitskosten niet in directe relatie zou staan tot het delict waarvoor de betrokkene is veroordeeld.
Het cassatiemiddel slaagt.
Uitspraak
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Lees hier de volledige uitspraak.