Uitbesteden doen van aangifte omzetbelasting aan een administratiekantoor geen reden voor vrijspraak belastingplichtige
/Gerechtshof Den Haag 25 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:490
De verdachte is een natuurlijke persoon die in de relevante periode in Nederland een eenmanszaak exploiteert onder de naam ‘bedrijf 1’. De onderneming is actief in de vervoerssector. Voor zijn fiscale verplichtingen schakelt de verdachte een administratiekantoor in, te weten ‘bedrijf 2’. Dit kantoor verzorgt voor hem de aangiften omzetbelasting, inkomstenbelasting en stelt de jaarstukken op. Gedurende de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 januari 2017 worden echter stelselmatig onjuiste of geen aangiften gedaan. De Belastingdienst ontdekt deze onregelmatigheden, waarna een strafrechtelijk onderzoek volgt. De verdachte wordt vervolgd voor meerdere belastingdelicten, waaronder het doen van onjuiste aangiften, het niet doen van aangifte, en het niet voeren van een deugdelijke administratie.
Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij:
In de periode van maart 2014 tot en met januari 2017, handelend onder de naam van zijn eenmanszaak, opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft ingediend, veelal met te lage of nihil-opgaven, hetgeen ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
Op of omstreeks 1 november 2014 geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan over de maand september 2014.
In de periode van 1 januari 2014 tot en met 9 december 2016 geen administratie heeft gevoerd overeenkomstig de wettelijke eisen, waarbij onder andere de kasadministratie, rittenregistraties, en financiële overzichten onvolledig of onjuist zijn, wat heeft geleid tot een te lage belastingheffing.
In de periode van 19 november 2015 tot en met 18 november 2017 geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan over de jaren 2014, 2015 en 2016.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2023, waarin de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat de verdachte een ongeschoolde ondernemer is die niet opzettelijk foutieve aangiften heeft gedaan. Hij heeft zijn fiscale verplichtingen uitbesteed aan een professioneel administratiekantoor en mocht vertrouwen op de deskundigheid daarvan. Indien hij zelf voorstelde een lager bedrag op te geven of een nihilaangifte te doen, deed hij dat naar eigen zeggen in de overtuiging dat dit gebruikelijk was binnen de praktijk van het kantoor. Bovendien was er geen formele machtiging verleend aan het administratiekantoor en kreeg de verdachte de aangiften niet ter controle voorgelegd, zodat van medeplegen geen sprake zou zijn. Ten aanzien van het ontbreken van een aangifte over september 2014 stelt de verdediging dat de verdachte niet wist dat deze niet was ingediend. Het ontbreken van een kasadministratie wordt toegeschreven aan het boekhoudkantoor. De verdediging meent dat het strekkingsvereiste – dat de gedraging ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven – niet is vervuld en bepleit integrale vrijspraak.
Oordeel van het gerecht
Het hof Den Haag verwerpt alle verweren. Uit verklaringen en dossierstukken blijkt dat de verdachte zich bewust was van de onjuiste inhoud van de aangiften. Zo gaf hij zelf opdracht aan het boekhoudkantoor om bedragen aan te passen wanneer hij tijdelijk onvoldoende middelen had om belasting te betalen. Er werden in totaal 17 nihil-aangiften gedaan terwijl er wel degelijk omzet was. De verdachte verklaart dat hij ervan uitging dat dit later zou worden rechtgetrokken, maar er zijn geen suppletieaangiften aangetroffen. Ook ten aanzien van de inkomstenbelastingaangiften is gebleken dat de verdachte bewust verzuimde deze te doen, ondanks aanmaningen van de Belastingdienst.
Het hof benadrukt dat een ondernemer als belastingplichtige persoonlijk verantwoordelijk blijft voor de juiste, volledige en tijdige naleving van zijn fiscale verplichtingen. Het uitbesteden aan een boekhoudkantoor ontslaat hem niet van deze verantwoordelijkheid. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij zich informeert over de basisverplichtingen binnen de belastingwetgeving. Het zogenaamde beroep op de ‘adviseurs-jurisprudentie’ faalt daarom.
Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte ook nalatig was in het voeren van een kasadministratie. Hij hield geen contante inkomsten of uitgaven bij en leverde de daarvoor benodigde gegevens niet aan bij het boekhoudkantoor. Volgens vaste jurisprudentie voldoet het structureel ontbreken van een kasadministratie aan het strekkingsvereiste: het is van algemene bekendheid dat dit geschikt is om belastingheffing te ondermijnen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Het medeplegen van opzettelijk onjuist en onvolledig doen van tientallen aangiften omzetbelasting in de periode maart 2014 tot en met januari 2017;
Het opzettelijk niet doen van aangifte omzetbelasting over september 2014;
Het opzettelijk niet voeren van een administratie die voldoet aan de eisen van de belastingwet, met name geen kasadministratie, onvolledige gegevens betreffende voertuigen, verkeersboetes, openstaande posten, bezittingen en schulden;
Het opzettelijk niet doen van aangiften inkomstenbelasting over 2014, 2015 en 2016.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten – waaronder structurele fraude over meerdere jaren, een benadelingsbedrag van bijna 1 miljoen euro en het stelselmatig niet voeren van een administratie – acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Desondanks houdt het hof rekening met twee overschrijdingen van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM: een aanzienlijke vertraging in de behandeling bij de rechtbank (1 jaar en 8 maanden) en een beperkte vertraging in hoger beroep (2 weken).
Voorts houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij kampt met gezondheidsproblemen, woont sinds kort zelfstandig, werkt in het bedrijf van zijn zoon en heeft een hoge schuldenlast, vooral aan de fiscus.
Het hof legt daarom de volgende straf op:
Een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
Een taakstraf van 240 uur, bij niet-nakoming te vervangen door 120 dagen hechtenis.
De reeds ondergane voorlopige hechtenis wordt deels in mindering gebracht op de taakstraf.
Lees hier de volledige uitspraak.